Reactie op meervoudige stemrechtbeperking

Van Veen en Ten Berg gaan in hun mooie artikel in op een aantal opvallende inhoudelijke wijzigingen die zijn voorgesteld in de eind vorig jaar verschenen Nota van wijziging waaronder het schrappen van de beperking van het meervoudig stemrecht. Het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen bevatte oorspronkelijk een beperking van het meervoudig stemrecht voor bestuurders en commissarissen van de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. De beperking houdt in dat de bestuurder of commissaris met een statutair meervoudig stemrecht niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere (stemgerechtigde) leden van dat orgaan tezamen. Er zit dan dus een plafond aan het aantal stemmen. Voor de BV en de NV gold de beperking al en is de 7-14 september 2019 meervoudige stemrechtbeperking in 2001 vanuit de Departementale Richtlijnen 1986 naar de wet verplaatst. Voor bestaande en nieuwe statutaire stemrechtregelingen bij de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting zou het invoeren van die wettelijke beperking inhoudelijke gevolgen hebben, terwijl het wetsvoorstel geen inhoudelijke wijzigingen beoogde. In 2016 hebben wij in het WPNR eerder aandacht daar voor gevraagd. Het wetsvoorstel is vervolgens met een verwijzing naar ons artikel aangepast en de uitbreiding van de meervoudige stemrechtbeperking naar andere rechtspersonen is zonder nadere uitleg (sic!) geschrapt. Voor de BV en de NV blijft de bestaande wettelijke beperking gelden. We hebben op deze merkwaardige aanpassing in de Nota van wijziging nog niet eerder gereageerd. Nu Van Veen en Ten Berg met een verwijzing naar onze reactie de indruk wekken dat wij van mening zijn dat de meervoudige stemrechtbeperking op dit moment voor alle rechtspersonen heeft te gelden, willen we daar kort op reageren.

Lees het hele artikel.

Enige beschouwingen rondom de splitsingsbeschrijving

Als u wel eens heeft geadviseerd over een juridische splitsing van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:334a lid 1 BW dan bent u ongetwijfeld bekend met het voorschrift dat een splitsingsbeschrijving moet worden opgesteld. Aan de hand van die beschrijving wordt bepaald welk deel van het vermogen zal overgaan op de verkrijgende rechtspersonen en welk deel van het vermogen eventueel zal achterblijven bij de splitsende rechtspersoon (art. 2:334f lid 2 sub d BW). Partijen kiezen vaak voor het instrument van de juridische splitsing omdat daarbij vermogen onder algemene titel overgaat. Het voordeel is dat leveringsvereisten niet hoeven te worden gevolgd. De splitsingsbeschrijving kan – voor het rechtsgevolg van de overgang onder algemene titel – worden gezien als het belangrijkste onderdeel van het voorstel tot splitsing. In de praktijk wordt de beschrijving meestal in de vorm van een bijlage aan het splitsingsvoorstel gehecht.

Gevolgen van het voorstel tot beperking van het meervoudig stemrecht voor andere rechtspersonen dan de NV en de BV

Het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen zal leiden tot een wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen. In dit artikel gaan wij in op de beperking van het meervoudig stemrecht die in het kader van de uniformering voor alle rechtspersonen in het algemeen gedeelte van Boek 2 BW wordt opgenomen (voorgesteld art. 2:9 lid 4/2:11 lid 5 BW). In de Memorie van toelichting staat dat het wetsvoorstel niet beoogt om wijziging aan te brengen in bestaande bestuurs- en toezichtstructuren bij de verschillende soorten rechtspersonen.2 Voor statutaire stemrechtregelingen bij de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting kan dit wetsvoorstel wel degelijk gevolgen hebben. Bij die rechtspersonen geldt immers op dit moment anders dan bij de NV en de BV geen wettelijke beperking van het meervoudig stemrecht. Een aanpassing van de statuten kan nodig zijn. In het wetsvoorstel is op dit punt geen specifieke overgangsbepaling opgenomen. Wij zullen eerst het doel van het wetsvoorstel aanstippen en vervolgens ingaan op het meervoudig stemrecht zoals dat voor alle rechtspersonen gaat gelden en de mogelijke gevolgen daarvan.

Lees het hele artikel.

Stemrechten, meerderheden en quorums in de algemene vergadering (I en II) gevolgd door een naschrift over stemrechten, meerderheden en quorums in de algemene vergadering

Centraal staan afwijkende stemrechtregelingen voor aandeelhouders in NV en BV in statuten, het verbod op differentiatie van het stemrecht voor verschillende besluiten, meerderheidseisen en quorumeisen, het verbod van ongelijke behandeling van aandeelhouders, de rol van de voorzitter en het houden van een tweede vergadering.

Lees de artikelen:

Stemrechten, meerderheden en quorums in de algemene vergadering (I )

Stemrechten, meerderheden en quorums in de algemene vergadering (II)

Naschrift over stemrechten, meerderheden en quorums in de algemene vergadering

Stemrechtregelingen voor het bestuur en de raad van commissarissen van een NV/BV en de invloed van een tegenstrijdig belang daarop

In statuten en reglementen van NV/BV’s staan vaak stemrechtregelingen voor het bestuur en de raad van commissarissen. Die regelingen houden soms onvoldoende rekening met situaties van persoonlijk tegenstrijdig belang. Sinds de invoering van de Wet Bestuur en toezicht op 1 januari 2013 heeft een tegenstrijdig belang alleen invloed op het besluitvormingsproces. De tegenstrijdigbelangregeling speelt geen rol meer bij de vertegenwoordiging, ook niet als in de statuten de oude regeling nog is opgenomen. Heeft een bestuurder of commissaris een direct of indirect persoonlijk belang dat strijdig is met het belang van de NV/BV, dan moet hij zich onthouden van deelname aan de beraadslaging en de besluitvorming. Er zal door de persoon met het tegenstrijdig belang dan ook geen stem worden uitgebracht. Dit gevolg van de tegenstrijdigbelangregeling kan van wezenlijke invloed zijn op de gewenste governance. De wijze waarop stemrechtregelingen in de statuten of reglementen zijn verwoord en in hoeverre daar rekening is gehouden met een tegenstrijdig belang kan essentieel zijn voor een goede werking van deze governance. Daarnaast is een juiste toepassing van de  tegenstrijdigbelangregeling van belang omdat besluiten waarbij bestuurders met een persoonlijk tegenstrijdig belang (al dan niet) participeren vernietigbaar kunnen zijn. Als een door de wet of statuten aangewezen orgaan het besluit neemt in het geval dat niet alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, zal het besluit zelfs nietig zijn.

Lees het hele artikel.

De invloed van juridische splitsing op het structuurregime

Als een structuurvennootschap of afhankelijke maatschappij van een structuurvennootschap bij een splitsing is betrokken, kan het verstandig zijn om bij de advisering na te gaan of de wijziging van de structuur gevolgen heeft voor het structuurregime. In dit artikel zullen we die gevolgen nader bezien. Eerst zullen we stilstaan bij de belangrijkste governance aspecten van het structuurregime en bij het feit dat het regime niet een vermogensrecht is dat bij splitsing als zodanig overgaat. Daarna volgt een analyse van een aantal situaties waarbij de wijze van splitsen invloed kan hebben op de toepassing van het structuurregime.

Lees het hele artikel.

Stockdividend: getapt uit twee vaatjes

In deze bijdrage geven de schrijvers enkele vennootschapsrechtelijke en effectenrechtelijke beschouwingen ten aanzien van stockdividend bij beursfondsen. Er moeten vennootschapsrechtelijk twee regelsystemen doorlopen worden, in elk waarvan verschillende organen verschillende bevoegdheden kunnen hebben. Voor de toekenning van stockdividend is vaak een uitgifte van (nieuwe) aandelen nodig. Voor de besluitvorming zal gekeken moeten worden naar de regels omtrent uitgifte van aandelen enerzijds maar ook naar die omtrent (winst)uitkeringen anderzijds. Hierin schuilt juridisch gezien het hybridische karakter van stockdividend. Wat het  vennootschapsrechtelijke instrumentarium betreft tapt stockdividend uit twee vaatjes. Ook aan de  financieelrechtelijke kant van het effectenrecht kan bij een stockdividend uit verschillende vaatjes worden getapt. De keuze van de prospectusvrijstelling bij stockdividend kan belangrijk zijn voor de vraag of bij een andere uitgifte van aandelen ter versterking van het eigen vermogen nog volledig uit het vaatje van de sub-ten-prospectusvrijstelling van art. 5.4 sub 1 Wft kan worden getapt. Ook voorwetenschapskwesties zullen zich kunnen voordoen indien voor het dividend gekozen kan worden uit twee vaatjes (cash of aandelen). Volgens de schrijvers kan het risico van voorwetenschap op eenvoudige wijze worden beperkt. De wijze waarop het dividendvoorstel is verwoord, is daarbij van belang.

Lees het hele artikel.

Overgangsrecht Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht en Wet bestuur en toezicht

In dit artikel wordt uitgebreid ingegaan op het overgangsrecht opgenomen in de Invoeringswet vereenvoudiging
en flexibilisering bv-recht (“Invoeringswet”).  Aan het slot van het artikel wordt tevens ingegaan op het overgangsrecht dat is opgenomen in de Wet bestuur en toezicht. De streefdatum voor de invoering was 1 juli 2012 maar die lijkt mede door het thans (demissionaire) kabinet niet te worden gehaald.

De Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (hierna aangeduid als “Wet flex-bv”) bevat vooral optionele bepalingen, die niet tot verplichtingen en dus ook niet tot een overgangstermijn leiden. Toch zijn bepaalde regelingen inzake overgangsrecht nodig. Hoofdstuk V van de Invoeringswet bevat het overgangsrecht. Dit overgangsrecht is te verdelen in een algemeen deel en een specifiek deel.

In het algemene deel worden enkele overgangsbepalingen uit de Boeken 3-8 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) (wet van 28 november 1991, Stb. 1991, 601) van overeenkomstige toepassing verklaard op de wijzigingen in verband met de Wet flex-bv. In het algemene deel wordt met name antwoord gegeven op de volgende vragen:
– Moeten verwijzingen in wetsbepalingen in bestaande statuten beschouwd worden als verwijzingen naar wetsartikelen uit de nieuwe wet?
– Wat is rechtens wanneer een rechtshandeling onder het oude recht nietig of vernietigbaar was maar niet onder het nieuwe recht, en vice versa?
– Wat gebeurt er met gewijzigde regelingen inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding?
– Welk recht beheerst gerechtelijke procedures die nog aanhangig zijn op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe recht en wat zijn de gevolgen voor lopende procedures?

Het specifieke deel bevat overgangsbepalingen ten aanzien van certificaathouders met vergaderrecht, de blokkeringsregeling voor aandelen die zijn aangeboden onder de oude wet en die geleverd worden na invoering van de wet, de intrekking van oude aansprakelijkheidsverklaringen bij inbreng in natura, oproepingstermijn voor algemene vergaderingen te houden na invoering van de wet en de verplichting een statutaire regeling op te nemen voor belet en ontstentenis van commissarissen. Het overgangsrecht in de Wet bestuur en toezicht bevat bepalingen ten aanzien van het tegenstrijdig belang, bestaande arbeidsovereenkomsten van directeuren bij beursfondsen en de limitering van functies.

Lees het hele artikel.

Lekken in het verzwakte structuurregime bij drinkwaterbedrijven en vennootschappen met een one-tier board

De Drinkwaterwet die op 1 juli 2011 in werking is getreden en de Wet bestuur en toezicht die op 31 mei 2011 door de Eerste Kamer is aangenomen, kennen beperkingen voor structuurvennootschappen op het gebied van benoemingsrechten. Auteurs staan stil bij deze beperkingen en een aantal eigenaardigheden van deze regelingen, evenals bij de samenloop daarvan. In de Drinkwaterwet wordt voor drinkwaterbedrijven in de vorm van een naamloze vennootschap (NV) het verzwakte structuurregime verplicht voorgeschreven met als doel de versterking van de lokale democratie. Lagere overheden, in hun hoedanigheid als aandeelhouders, kunnen door deze wijziging direct invloed uitoefenen op de samenstelling van het bestuur van zulke drinkwaterbedrijven. Schrijvers staan stil bij de afwijkingen ten opzichte van de structuurregeling uit Boek 2 BW. Zo is het verzwakte structuurregime ook zonder de door de Drinkwaterwet voorgeschreven statutenwijziging al vanaf 1 juli 2011 van toepassing op drinkwaterbedrijven in de vorm van een NV. Schrijvers besteden daarbij tevens aandacht aan het loskoppelen van het verplichte verzwakte structuurregime van de vereisten die Boek 2 BW stelt voor structuurvennootschappen en de governanceproblemen die dit met zich meebrengt, evenals aan het ontbreken van een regeling voor drinkwaterbedrijven in de vorm van een besloten vennootschap (BV). De nog in werking te treden Wet bestuur en toezicht kent geen regeling voor een verzwakt structuurregime bij een one tier board. Schrijvers staan stil bij het gemis van deze regeling en de behoefte die in de praktijk aan deze regeling bestaat, alsmede bij de mogelijkheden voor een drinkwaterbedrijf om een one tier board in te voeren.

Lees het hele artikel.

Juridische fusies en splitsingen “zonder effecten”

In de afgelopen jaren zijn verschillende fusies en splitsingen tot stand gebracht die niet aan alle door de wet vereiste kenmerken lijken te voldoen. Sommige daarvan zijn in de literatuur beschreven. Fraaie termen als rolluikfusies en nul-ruilverhouding werden daarbij geïntroduceerd. Van Boxel, Dortmond, Koster, Schoonbrood, Van Olffen en Van Solinge constateren dat in zodanige gevallen het risico bestaat dat de beoogde fusie of splitsing niet tot stand is gekomen.1 Niet omdat de fusie of splitsing blootstaat aan een vernietiging ex art. 2:323/2:334u BW, maar omdat niet voldaan wordt aan één (of meer) van de essentiële kenmerken van een fusie of splitsing. Andere geluiden zijn er ook. Zaman, Van Eck en Roelofs betogen dat een nationale fusie en splitsing niet aangetast zouden moeten kunnen worden indien er andere formele of materiële gebreken zouden zijn dan genoemd in art. 2:323/2:334u BW.2 Zij gaan daarbij zelfs zo ver, dat zij voor die andere gebreken “de bal volledig aan de (voet)verklaring van de notaris” leggen.3 Met andere woorden, de notaris bepaalt door het tekenen van de authentieke akte met de voetverklaring dat er sprake is van een geldige fusie of splitsing. Indien deze visie gevolgd zou worden, dan zou voorbijgegaan kunnen worden aan een of meer essentialia van fusie en splitsing. Deze stelling is misschien aardig als discussiepunt voor wenselijk en dus toekomstig recht. Naar huidig recht zien wij er niets in. Wij komen in de praktijk steeds vaker in aanraking met adviezen en uitwerkingen van fusies en splitsingen waarbij al te gemakkelijk met essentialia van die rechtsfiguren lijkt te worden omgesprongen. Voldoende reden om in deze bijdrage nader in te gaan op de vraag wanneer juridische (grensoverschrijdende) fusies en splitsingen non-existent dan wel vernietigbaar zijn.

Lees het hele artikel.