NIEUWE UBO WETGEVING EN HET UBO REGISTER

Met ingang van 8 juli 2020 zijn de meeste in het handelsregister ingeschreven Nederlandse organisaties verplicht gegevens te verzamelen en te beheren van natuurlijke personen die de uiteindelijk belanghebbenden van de organisatie zijn (hierin aangeduid met de Engelse afkorting: “UBO”). UBO is de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een organisatie voor wie de regeling geldt.

Vanaf 27 september 2020, en voor bestaande organisaties uiterlijk op 27 maart 2022, dienen die gegevens geregistreerd te worden in het UBO register dat gehouden wordt door het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Een deel van de gedeponeerde gegevens is voor het publiek toegankelijk. Het andere deel is slechts toegankelijk voor daartoe aangewezen autoriteiten, waaronder opsporingsdiensten.
Indien niet wordt voldaan aan deze verplichtingen kunnen aan de UBO, de organisatie en aan haar bestuurders sancties worden opgelegd.

Lees het hele artikel.

Het overgangsrecht in het wetsvoorstel Bestuur en toezicht rechtspersonen

Het wetsvoorstel wil komen tot een uniformering van regelingen omtrent het bestuur en het toezicht bij verenigingen, coöperaties, waarborgmaatschappijen en stichtingen. De wijzigingen zijn van belang voor de governance en hebben gevolgen voor de statuten. Jean bepleit twee verduidelijkingen ten aanzien van de beperking van het meervoudig stemrecht. Ten eerste een verduidelijking bij de berekening van de beperking van een meervoudig stemrecht zodanig dat duidelijk is dat geen rekening wordt gehouden met de stemmen die een geconflicteerde bestuurder had kunnen uitbrengen. En ten tweede een verduidelijking hoeveel stemmen kunnen worden uitgebracht voor het geval een oude statutaire regeling die in strijd is met de nieuwe regeling van de beperking van het meervoudig stemrecht abusievelijk niet bij een statutenwijziging wordt aangepast.

Lees hier het hele artikel.

Covid 19, beschikbaarheid van statutaire bestuurders

1 CONTINUÏTEIT BESTUUR TIJDENS COVID-19

Door COVID-19 bestaat de kans dat statutaire bestuurders niet in staat zijn hun bestuurstaak uit te voeren. Voor organisaties is het verstandig om met dit scenario rekening te houden en zekerheidshalve scherp te hebben hoe de bestuurstaak -in praktische enjuridische zin- dan kan worden voortgezet. Ook voor raden van commissarissen en raden van toezicht is het realistisch om met dit scenario rekening te houden. Voor hen gelden vergelijkbare regelingen als voor besturen. Omdat deze raden doorgaans uit meer personen bestaan en daarom meer capaciteit hebben om de continuïteit te waarborgen, gaan wij daar nu niet op in. Mocht u hierover informatie wensen; wij kunnen u hierbij adequaat van advies voorzien. Hieronder volgt het juridisch speelveld indien een bestuurder niet (op de reguliere wijze) kan besturen als gevolg van COVID-19.

2 BEPERKTE BESCHIKBAARHEID BESTUURDER

Voor de situatie dat bestuurders beperkt beschikbaar zijn omdat zij hun huis niet verlaten, zal de besturing doorgaans op afstand door kunnen gaan. Statuten voorzien vaak in een regeling dat besluiten zowel in een vergadering kunnen worden genomen, als via allerhande communicatiemiddelen. Ook voor het vertegenwoordigen van de organisatie is het van belang de statuten te raadplegen. Het kan zijn dat iedere bestuurder zelfstandig de organisatie kan vertegenwoordigen of dat dit alleen gezamenlijk met een andere bestuurder kan. Indien het rechtsgeldig vertegenwoordigen van de organisatie als gevolg van COVID-19 een probleem is, kan ook altijd een volmacht worden verleend aan een van de bestuurders (die nog buiten huis functioneert) of aan een derde.

3 GEEN BESCHIKBAARHEID BESTUURDER

Indien de bestuurder tijdelijk niet in staat is te besturen, wordt ook wel gesproken van ‘belet’. Als een bestuurder vanwege COVID-19 op de intensive care belandt, is er dus sprake van belet. Hieronder wordt ingegaan op een beletsituatie bij een besloten vennootschap en bij een stichting.

3.1 Besloten vennootschappen

3.1.1 Voor besloten vennootschappen is het verplicht dat de statuten een regeling bevatten voor een beletsituatie van een of meer bestuurders, zodat de continuïteit van bestuur is gewaarborgd. Ook kan in de statuten worden uitgeschreven welke omstandigheden onder een beletsituatie vallen. Een situatie dat een bestuurder op de intensive care ligt kwalificeert zeker als een belet-situatie. De beletregeling voorziet doorgaans in twee situaties.

3.1.2 Situatie 1: Niet alle bestuurders zijn belet. Doorgaans is opgenomen dat de overblijvende bestuurder(s) gedurende de beletsituatie kunnen blijven besturen.

3.1.3 Situatie 2: Alle bestuurders of de enige bestuurder is belet. De statuten hoeven hier op dit moment nog niet in te voorzien. Vaak kennen de statuten een regeling waarin is bepaald dat de algemene vergadering een waarnemer kan aanwijzen die tijdelijk met het bestuur is belast. Indien de besloten vennootschap een raad van commissarissen heeft geïnstalleerd, heeft de raad van commissarissen in veel gevallen die bevoegdheid. Een waarnemer dient expliciet te worden aangewezen en kan worden ingeschreven in het handelsregister. Het kan verstandig zijn om bij de aanwijzing ook aandacht te geven aan de bezoldiging die de waarnemer krijgt.

3.2 Stichting

3.2.1 Voor stichtingen is het op dit moment niet verplicht om in de statuten een regeling voor een beletsituatie op te nemen. Om een stuurloze stichting te voorkomen is het wel mogelijk een belanghebbende de rechter te laten verzoeken in een ledige plaats in het bestuur te voorzien. Omdat deze procedure niet specifiek bedoeld is voor een beletsituatie en in dit Corona tijdperk de rechtbanken grotendeels gesloten zijn, is een statutaire beletregeling de passende manier om de continuïteit van het bestuur te waarborgen. In veel statuten is daarom een regeling opgenomen die in meer of mindere mate aansluit bij de BV-beletregeling. Die regeling kan dan voorzien in dezelfde twee situaties als hierboven omschreven.

3.2.2 Situatie 1: Niet alle bestuurders zijn belet. Doorgaans is opgenomen dat de overblijvende bestuurder(s) gedurende de beletsituatie kunnen blijven besturen.

3.2.3 Situatie 2: Alle bestuurders of de enige bestuurder is belet. Indien de stichting alleen een bestuurlijk orgaan kent en er is verder niets vastgelegd, zal niet in het bestuur kunnen worden voorzien en is het van belang een juridisch adviseur te raadplegen. Indien de stichting onderdeel uitmaakt van een concern is vaak in de statuten vastgelegd dat een gelieerde rechtspersoon een waarnemer kan aanwijzen. Indien de stichting een toezichthoudend orgaan kent, bepalen de statuten doorgaans dat de raad van toezicht / raad van commissarissen een waarnemer kan aanwijzen die tijdelijk kan besturen. Ook wordt wel opgenomen dat een lid van het toezichthoudend orgaan tijdelijk het bestuur waarneemt, een voorziening die overigens niet in alle sectoren is toegestaan. Bij een stichting kan de waarnemer eveneens in het handelsregister worden ingeschreven.Indien er geen beletregeling is opgenomen in de statuten van de stichting en niet alle bestuurders belet zijn, is het raadzaam om de besluitvormingsvereisten van het bestuur te controleren. Mogelijk heeft de beletsituatie geen nadelige gevolgen voor de geldigheid van de besluitvorming. Denk aan de situatie dat het vereist is dat er een bepaald aantal bestuurders aanwezig moet zijn om een rechtsgeldig besluit te kunnen nemen. Mogelijk kan dat minimale aantal nog steeds gehaald worden, ook zonder betrokkenheid van de belette bestuurder.Ook is het van belang de vertegenwoordigingsregels te raadplegen om zeker te zijn dat de instelling zich extern kan blijven binden. Indien dit laatste niet adequaat geregeld is, kan eenvoudig een volmacht worden opgesteld.

3.2.4 Voor maatschappelijke organisaties, die veelal aan de top van de structuur een stichting gebruiken, zijn naast de reguliere regels ook de sectorale regels van belang. Die kunnen bijvoorbeeld onverenigbaarheden met het zijn van bestuurder bevatten, die dan mogelijk ook gelden voor een waarnemer. Andere punten waarmee rekening gehouden moet worden liggen op het vlak van deskundigheids- en geschiktheidseisen voor bestuurders en commissarissen en op het vlak van statutaire kwaliteitseisen.

Wanneer wordt het verplichte pensioen afgeschaft?

De kranten staan er vol van: het pensioenstelsel. Wat gaat er veranderen? Hoe beleggen we verantwoord en vooral ook: hoe zorgen we voor een goede oudedagvoorziening? Ook in het notariaat leven er heel veel vragen over de huidige regeling en de toekomst. Notariaat Magazine legde er een aantal voor aan Nienke Bijlholt.

Lees hier het hele artikel.

 

Reactie consultatie Modernisering NV recht

Met onderstaande reactie wil de Vereniging Ondernemingsrechtspecialisten Notariaat (VON) reageren op het ambtelijk voorontwerp voor een wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het moderniseren van het recht inzake naamloze vennootschappen en het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen (het “voorontwerp”).

Algemeen

Het voorontwerp bevat een tweetal niet erg gerelateerde onderwerpen. Enerzijds de introductie van een regeling die de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in de top van grote bedrijven evenwichtiger moet maken. Met de introductie van een dergelijke regeling is de VON het van harte eens.

Anderzijds stelt het voorontwerp het NV-recht te moderniseren en aan te passen aan de behoeften van de gebruikers. Dat onderdeel lijkt echter meer bijvangst te zijn. Er wordt gesteld dat mogelijkheden om onderlinge verhoudingen te regele nmoeten worden verruimd en dat het voorontwerp enkele technische verbeterpunten bevat om het NV-recht eenvoudiger en flexibeler te maken, net als het BV-recht.Onze conclusie is dat aan die verwachtingen maar beperkt wordt voldaan. Zeker is sprake van enkele technische verbeteringen, alleen dragen die maar beperkt bij aan de beloofde grotere flexibiliteiten de mogelijkheden om onderlinge verhoudingen te regelen. Wij merken op dat de toelichting bij het voorontwerp niet toelicht waarom meer materiële modernisering niet wordt meegenomen. Met het oog op de gewenste vereenvoudiging en flexibilisering, geven we in overweging mee de volgende onderwerpen eveneens aan te pakken, met het onderhavige wetsvoorstel of in de nabije toekomst:

(a)2:105–het opnemen van de mogelijkheid (beperkt) winstrechtloze aan de lente creëren;
(b)2:118 –het opnemen van de mogelijkheid variabel stemrecht en stemrechtloze aandelen te creëren in navolging van BV-regeling;
(c)2:129 lid 4 –het opnemen van een optioneel instructierecht conform 2:239 lid 4;
(d)2:132 –het opnemen van de mogelijkheid dat voor besloten NV’s bestuurders door aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding kunnen worden benoemd (mits elke aandeelhouder kan deelnemen aan de benoeming van ten minste een van hen);en
(e)2:142 –het opnemen van de mogelijkheid dat voor besloten NV’s commissarissen door aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding kunnen worden benoemd (mits elke aandeelhouder kan deelnemen aan de benoeming van ten minste een van hen).

Hierna gaan wij allereerst in op de voorgestelde regeling ten aanzien van een evenwichtiger samenstelling binnen bestuur en raad van commissarissen(deel A). Vervolgens maken wij enkele opmerkingen bij de overige voorgestelde wijzigingen (deel B). Ten slotte noemen wij verschillende elementen die wij zouden hebben verwacht te worden meegenomen bij de modernisering van het NV-recht en die wij graag in overweging geven (deel C).

Deel A. Voorgestelde regeling evenwichtiger samenstelling

Algemeen:

1. Afgaande op de inleiding van de MvT, is het doel van de wet o.m. het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen. Gelet op de schrijnende ‘diversiteitscijfers’ die in de MvT worden genoemd, alsmede blijken uit de in de MvT vermelde rapportages, is actie inderdaad geboden.Overigens blijft opvallend, dat onder de te bevorderen diversiteit slechts de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen wordt begrepen.

2. De door middel van de in het voorontwerp voorgestelde regeling is er een van veel strengere en veel meer verplichtende aard dan de tot 1 januari 2020 geldende “streefcijferregeling”. Aangezien deze regeling onvoldoende gevolgen heeft gehad, is een strengere regeling noodzakelijk. Daarmee zijn we het eens. Gelet op de in de MvT vermelde gevolgen van gelijksoortige regelingen die in het buitenland gelden, alsmede op de in de MvT beschreven afwegingen, lijkt er noodzaak te bestaan de diversiteit met “stevige maatregelen” aan te pakken.

Artikelsgewijs:

Artikel 2:142b

3. Algemeen/ lid 2: het voorgestelde artikel gaat uit van een nietige benoeming indien die “de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in de raad van commissarissen niet evenwichtiger zou maken”. Deze keuze heeft een zeer rigide systeem als gevolg. Aan een nietige benoeming is immers weinig te doen. Wij pleiten voor een systeem waarbij de benoeming in strijd met dit artikel vernietigbaar is. Daarvoor pleit het volgende:

(i)een nietige benoeming heeft verstrekkende gevolgen, door lid 5 veelal niet direct voor genomen besluiten, maar wel voor vertegenwoordiging door de nietig benoemde commissaris/ bestuurder (zie hieronder);
(ii)een systeem van vernietigbaarheid geeft meer vrijheid; zo zou bijvoorbeeld de benoeming van een persoon waarvan het geslacht niet vaststaat, of wijzigt, of de situatie dat de samenstelling van de RvC zodanig wijzigt dat de verhouding alsnog evenwichtiger wordt, ertoe kunnen leiden dat de benoeming toch geldig blijft;
(iii)indien toepassing van dit artikel tot onredelijke uitkomsten leidt met betrekking tot specifiek toegekende aanbevelings-/ benoemingsrechten (zie hierna), biedt het systeem van vernietiging vrijheid daarover per geval te oordelen.

4. Lid 2: “(…) wiens benoeming de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in de raad van commissarissen niet evenwichtiger zou maken (…)” –deze evenwichtigheid ziet slechts op de getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen en laat onverlet bijv. religie, ras, leeftijd of ervaring. Voorstel (onderstreept weergegeven):“(…) wiens benoeming de voormelde getalsmatige verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in de raad van commissarissen niet evenwichtiger zou maken (…)”.

5. Lid 2: “Indien het aantal leden van de raad van commissarissen niet door drie deelbaar is, wordt het naastgelegen hogere getal dat wel door drie deelbaar is in aanmerking genomen voor de vaststelling van het aantal leden bedoeld in de vorige zin.” –teneinde duidelijk te maken dat de rekensom moet worden toegepast op het aantal mannen/ vrouwen ná de voorgenomen benoeming, kan worden toegevoegd (voorstel onderstreept weergegeven):“Indien het aantal leden van de raad van commissarissen ná de voorgenomen benoeming niet door drie deelbaar is, wordt het naastgelegen hogere getal dat wel door drie deelbaar is in aanmerking genomen voor de vaststelling van het aantal leden bedoeld in de vorige zin.”

6. De regeling heeft verstrekkende gevolgen voor de uitoefening van specifieke aanbevelings-/ benoemingsrechten. Zo zullen bijvoorbeeld de OR met een aanbevelingsrecht onder de structuurregeling, of specifieke (groepen) aandeelhouders die als onderdeel van een transactie een benoemingsrecht hebben, zeer beperkt worden in de uitoefening van hun rechten. Een concreet voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld een familiebedrijf waarbij een oprichter zichzelf of een kind als commissaris wil aanwijzen en zijn geslacht of dat van het kind niet past binnen de verhouding die binnen de RvC bestaat.We pleiten ervoor benoemingen onder deze rechten uit te zonderen indien handhaving ervan tot onredelijke benadeling van de houder van dit recht zou leiden.Ingeval van een regeling op grond waarvan vernietigbaarheid uitgangspunt is, zou dit kunnen worden opgevangen door de redelijkheid door de rechter te laten toetsen.

7. Lid 3: in geval van een ‘one-tier board’ is de regeling van toepassing op de leden van de gehele board. Het is onduidelijk waarom in dat geval de regeling niet slechts geldt voor de samenstelling van de niet-uitvoerende bestuurders.

8. Lid 4: terecht worden de aanstellingen door de Ondernemingskamer uitgezonderd. In het artikellid kan worden verduidelijkt dat de leden 2 en 3 alleen voor die aanstelling niet van toepassing zijn. Indien er ook nog andere leden van de raad van commissarissen zijn (en de aanstelling door de OK slechts ter aanvulling is), geldt de regeling voor die leden wel. Ook zou een door de OK benoemde commissaris niet mogen meetellen bij de in lid 2 bedoelde berekening. We stellen voor lid 4 te wijzigen als volgt:“Op een tijdelijke aanstelling van een commissaris overeenkomstig artikel 2:349a lid 2 of artikel 2:356 onder c, is het bepaalde in de leden 2 en 3 niet van toepassing. De ondernemingskamer spant zich er bij de aanstelling evenwel voor in uitvoering te geven aanhet in lid 2 bepaalde. Een aldus aangestelde commissaris telt niet mee bij de berekening als bedoeld in het tweede lid.”

9. Lid 5: dient vertegenwoordiging te worden toegevoegd? In het kader van de invoering van de gelijksoortige regeling van 2:142a (waarnaar de MvT ook verwijst) is met betrekking tot vertegenwoordiging overwogen: “Wanneer een nietig benoemde «bestuurder» –die echter wel als bestuurder is ingeschreven in het handelsregister –vertegenwoordigingshandelingen verricht, zal de wederpartij normaliter beschermd zijn; de rechtspersoon zal zijn gebonden aan de transactie omdat de wederpartij mag afgaan op de inschrijving in het handelsregister (artikel 25 Handelsregisterwet).” (nota naar aanleiding van het verslag van de Reparatiewet bestuur en toezicht, Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 32873, nr. 5, p. 2.).Dit geldt voor de leden van een one-tier board (voor zover deze niet zijn ingeschreven als vertegenwoordigingsbevoegd), maar ook voor commissarissen.Aangezien de commissaris niet (vaak) als vertegenwoordigingsbevoegde in het handelsregister zal zijn ingeschreven, kan een nietig benoemde commissaris de vennootschap niet rechtsgeldig vertegenwoordigen. Dat speelt bijvoorbeeld bij vertegenwoordiging op grond van de belet-en ontstentenisregeling, of als gevolmachtigde, waarbij de volmacht gekoppeld is aan de hoedanigheid als commissaris of een vertegenwoordiging als bedoeld in 2:346 lid 2. In het licht van de afwegingen m.b.t.2:142a, ligt het wellicht voor de hand vertegenwoordigingshandelingen eveneens uit te sluiten. Ook in dit geval zou een systeem waarbij vernietigbaarheid uitgangspunt is beter werken.

Artikel 2:166

10. Lid 2: “De vennootschap stelt in de jaarrekening jaarlijks passende en ambitieuze doelen in de vorm van een streefcijfer vast(…)” –wat is het doel van het gebruik van de term “De vennootschap”? Indien daarmee wordt beoogd alle relevante organen te betrekken, pleiten we voor een regeling waarbij duidelijk is wie welk besluit neemt. Door dit mee te nemen in de jaarrekening,worden bestuur, RvC en algemene vergadering betrokken (gecommitteerd).

11. Lid 2: op p.30 van de MvT staat een tabel waarin de streefcijfers zijn weergegeven. Naar ons idee zou het bij een vennootschap met één bestuurder en twee commissarissen ook voldoende moeten zijn als de bestuurder van het ene geslacht is en beide commissarissen van het andere geslacht (en idem bij twee bestuurders en één commissaris).

12. Lid 3: zie opm.10.13.In de MvT(p.18) schrijft de Minister dat aandeelhouders die naar hun mening onvoldoende uitleg krijgen over (de voortgang van) het plan om streefcijfers te halen, of daarover ontevreden zijn, hun goedkeuring aan de jaarrekening kunnen onthouden. Uit de MvT blijkt dat deze toelichting onderdeel is van het door het bestuur op te stellen jaarverslag. Wij zien dat echter niet terug in de tekst van het voorontwerp. Met de aanpassingen zoals hiervoor aangegeven, is dit ondervangen.

14. Lid 4: wat zijn de gevolgen van het niet of gebrekkig nakomen hiervan? Kan de SER actie nemen? Beoordeelt de SER de rapportages? Zo ja, is dat w.b.workload een reële verwachting? Wordt het oordeel van de SER openbaar gemaakt? Wordt zoiets bedoeld met de door de SER op te zetten “infrastructuur”?

Deel B. Voorgestelde overige wijzigingen NV-recht

15. Niet langer verplicht stellen MK. Het is goed dat de verplichting van het hebben van een maatschappelijk kapitaal wordt geschrapt. De verplichting dient in de praktijk zelden doel en waar gewenst kunnen aandeelhouders en vennootschappen er in de toekomst nog steeds voor kiezen.In de praktijk zal het prettig worden ervaren dat de nominale waarde in een andere valuta dan Euro kan luiden. Ook het feit dat de nominale waarde kan worden uitgedrukt in fracties van centen is welkom in de praktijk. Zo kunnen grote aantallen aandelen worden gecreëerd zonder dat een grote kapitaalstorting nodig is. Ook de financierbaarheid van een structuur met beschermings-preferente aandelen wordt daarmee in sommige gevallen aantrekkelijker.Art. 2:67 lid 3:Wij zien niet de toegevoegde waarde van de bepaling dat indien de vennootschap een maatschappelijk kapitaal heeft, dat daarvan ten minste een vijfde gedeelte moet zijn geplaatst. Volgens ons volgt dit niet uit de Richtlijn. Eris overigens niets op tegen dat statutair kan worden bepaald dat een bepaald gedeelte van het maatschappelijk kapitaal moet zijn geplaatst. Voor een dergelijke bepaling is wellicht geen wettelijke basis nodig, maar om misverstand te voorkomen zouden wij adviseren art. 2:67 lid 3 als volgt te formuleren:”Indien de vennootschap een maatschappelijk kapitaal heeft, kan in de statuten worden bepaald dat daarvan ten minste een in de statuten aangeduid gedeelte is geplaatst.”

16. Aanwijzen van houders van bepaalde soort of aanduiding als orgaan van de vennootschap. Deze wijziging is welkom. Zoals de MvT aangeeft kunnen aan houders van een aandeel van een reeds bestaande soort in de toekomst bevoegdheden worden toegekend zonder dat daarvoor eerst een nieuwe soort moet worden gecreëerd.

17. Verbinden van de vennootschap voor kosten verband houdend met oprichting. De uniformering met de BV-bepaling ligt voor de hand en de voorgestelde bepaling sluit inderdaad aan bij de praktijk dat de op te richten NV in de regel de daarmee verbonden kosten voor haar rekening zal nemen.

18. Toekennen stemrecht aan vruchtgebruiker of pandhouder op later moment dan vestiging De uniformering met de BV-bepalingen ligt voor de hand en vanuit het oogpunt van het bieden van een zo groot mogelijke flexibiliteit ligt de voorgestelde toevoeging voor de hand. In dat kader is nog een verdere toevoeging aan het keuzemenu denkbaar:Art. 2:88 lid 3:Hoewel het zich minder snel laat denken bij het vestigen van een recht van vruchtgebruik dan bij het vestigen van een pandrecht, zou het vanuit een oogpunt van flexibiliteit goed zijn als wordt toegevoegd dat het stemrecht overgaat op de vruchtgebruiker als dit al dan niet onder opschortende voorwaarde is bepaald. Dezelfde toevoeging kan worden toegevoegd aan art. 2:197 lid 3.

19. Afschaffing 10%-grens bij inpandneming eigen aandelen. Dit betreft het herstellen van een eerdere omissie en behoeft geen commentaar.

20. Vereenvoudiging besluitvorming buiten vergadering. De voorgestelde bepalingen helpen met name “besloten” NV’s en die zijn in de praktijk zeker gebaat met de voorgestelde wijzigingen. De regeling van 2:101 lid 5 (nieuw) die regelt dat de jaarrekening geldt als vastgesteld indien alle aandeelhouders tevens bestuurder of commissaris zijn en alle bestuurders en commissarissen deze hebben getekend, is een logische vereenvoudiging. Dat de commissaris ook wordt toegevoegd aan 2:210 lid 5 is een logische consequentie. De in het voorgestelde art. 2:128 opgenomen versoepelingen van de mogelijkheden tot besluitvorming buiten vergadering analoog aan 2:238 liggen voor de hand en kunnen worden toegejuicht.Bij die regeling ten aanzien van besluitvorming past wel nog een belangrijke algemene opmerking. In artikel 2:88 lid 4 en in artikel 2:89 lid 4 wordt verwezen naar personen die de rechten hebben die door de wet zijn toegekend aan de houders van met medewerking ener vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen. Dit is een verwijzing naar artikel 2:113 lid 1.Het woord vergaderrecht en vergadergerechtigde is, anders dan bij de BV in artikel 2:227, niet in de wet verankerd. Het is verrassend dat in de voorgestelde tekstwijziging van artikel 2:116 en 2:128 het woord vergadergerechtigde wel voorkomt. Wij stellen voor om ook voor de NV de term vergadergerechtigde te introduceren en dit consequent door te voeren in de wet. Daarbij wordt tevens aandacht gevraagd voor de bepaling omtrent het wettelijk pandrecht op aandelen. Daar wordt gesproken over een wettelijk pandrecht voor vergadergerechtigden en houders van met medewerking van een vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen. Deze zinsnede blijkt volgens de MvT bij de Flex BV te zien op enerzijds de BV en anderzijds de NV. In de literatuur wordt echter ook betoogd dat een certificaathouder van een aandeel in BV zonder vergaderrecht toch een wettelijk pandrecht kan hebben als het certificaat met medewerking van de vennootschap is uitgegeven.Indien wordt besloten tot introductie van eenzelfde regeling als bij de B.V. wijzen wij erop dat ook geregeld moet zijn als het vergaderrecht niet wordt ingeschreven in het aandeelhoudersregister binnen de bij de overgangswet voorgeschreven termijn.

21. Vergaderen buiten Nederland Zoals de MvT aangeeft bestaat inderdaad in de praktijk behoefte aan de mogelijkheid buiten Nederland te vergaderen. De facto kon dit natuurlijk al indien alle aandeelhouders daarbij aanwezig waren, zijn het dat dit dan natuurlijk geen “formele” vergadering was en de genomen besluiten kwalificeerden als genomen “buiten vergadering”. Relevante wijziging is dus dat in de toekomst, mits de mogelijkheid via de weg met minderheidsaandeelhouders bescherming, in de statuten is opgenomen, ook kan worden vergaderd en besloten in het buitenland zonder dat daarbij alle aandeelhouders noodzakelijk aanwezig zijn. Het valt te overwegen om toe te voegen dat wanneer er buiten Nederland wordt vergaderd, aandeelhouders(en bestuurders en commissarissen) altijd de gelegenheid moet worden geboden via videoverbinding aan de vergadering deel te kunnen nemen. Dit is ook relevant voor bijv. de regeling dat een advocaat of notaris niet mag worden uitgezonderd van de mogelijkheid als gevolmachtigde voor een aandeelhouder aan een algemene vergadering deel te nemen: als de vergadering buiten Nederland plaatsvindt en er de wettelijk garantie is dat digitaal kan worden deelgenomen scheelt dat veel tijd en geld.Überhaupt valt te overwegen (indachtig de mogelijkheden opgenomen in de recente tijdelijke wet covid-19 justitie en veiligheid) bij deze modernisering van het NV-recht mee te nemen de mogelijkheid virtueel te kunnen vergaderen, tenzij de statuten zulks nadrukkelijk uitsluiten.

Deel C. Aanvullende mogelijkheden voor modernisering NV-recht

22. Artikel 2:64. Waarom wordt niet het stramien en de wettekst van art 2:175 gekopieerd? Met de voorgestelde tekst wordt niet gemeld dat deze titel van toepassing is op de naamloze vennootschap. Wij stellen voor:Deze titel is van toepassing op de naamloze vennootschap. De naamloze vennootschap is een rechtspersoon met een in een of meer overdraagbare aandelen verdeeld kapitaal. Een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en is niet gehouden boven het bedrag dat op zijn aandelen behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen. Ten minste één aandeel wordt gehouden door een ander dan en anders dan voor rekening van de vennootschap of een van haar dochtermaatschappijen.

23. Artikel 2:67a.In dit artikel wordt een omzetting van maatschappelijk kapitaal en het bedrag van de aandelen genoemd. Ons inziens moet hier met de mogelijkheid tot afschaffing van het maatschappelijk kapitaal het woord “of” komen te staan.

24. Artikel 2:79 lid 1 nieuw. Een definitie van aandelen. Tekstvoorstel:Aandelen zijn de gedeelten, waarin het maatschappelijk kapitaal of, indien de vennootschap geen maatschappelijk kapitaal heeft, het geplaatste kapitaal, bij de statuten is verdeeld.De reden van de toevoeging is om duidelijk te maken dat de verdeling van de aandelen bij de statuten moet zijn gerealiseerd.Overigens ontbreekt een definitie van aandelen bij de BV. Wij stellen voor om bij de BV in artikel 2:190 Deze zin ook op te nemen, gevolgd door de thans aanwezige zin. Voor de BV komt de tekst dan te luiden als volgt:Aandelen zijn de gedeelten, waarin het maatschappelijk kapitaal of, indien de vennootschap geen maatschappelijk kapitaal heeft, het geplaatste kapitaal, bij de statuten is verdeeld. Rechten die stemrecht noch aanspraak op uitkering van winst of reserves omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt.

25. Ook voor de BV is het van belang om een aandelendefinitie te hebben. In de literatuur is weliswaar consensus over wat een aandeel is maar gezien het belang stellen wij voor toch een definitie op te nemen.Wij stellen voor om in artikel 2:85 een extra lid op te nemen luidende als volgt:3. Aandeelhouders en anderen van wie gegevens ingevolge lid 1 in het register moeten worden opgenomen, verschaffen aan het bestuur tijdig de nodige gegevens.Deze bepaling is ook bij de BV opgenomen. Er is geen enkele reden om deze bepaling niet ook bij de NV op te nemen. Deze regeling is bovendien van belang bij UBO wetgeving en voor het voldoen aan wetgeving en richtlijnen voor beursgenoteerde ondernemingen. Indien een gerechtigde zijn gegevens niet heeft doorgegeven kan er een gerechtigde tot aandelen of rechten daarop zijn die het bestuur niet kent. Het bestuur verstrekt dan mogelijk onbewust valse UBO verklaringen.

26. Artikel 2:93a lid 3 eist dat de verklaring omtrent storting van de aandelen bij oprichting slechts kan geschieden door een bank. Door de toegenomen regelgeving wordt het voor een bank steeds lastiger om een rekening te openen. Dit duurt in de praktijk ook lang. Dit komt de snelheid in het rechtsverkeer niet ten goede. In de praktijk wordt gezien de trage doorlooptijd bij banken en de moeilijkheden omtrent het verkrijgen van een bankverklaring als bedoeld in artikel 93a regelmatig eerst een BV opgericht die vervolgens wordt omgezet in een NV.Wij stellen voor dat de storting ook kan plaatsvinden op de kwaliteitsrekening van de notaris die de akte van oprichting tekent. De notaris heeft immers net als de bank een poortwachtersfunctie te vervullen naar de herkomst van het geld. Het tekstvoorstel voor artikel 2:94 lid 3 luidt dan: Een verklaring als bedoeld in lid 1 kan slechts worden afgelegd door:-de notaris die de akte van oprichting tekent indien hij de bedragen die krachtens lid 1 moeten worden gestort op zijn kwaliteitsrekening heeft ontvangen dan wel-een financiële onderneming als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht die in de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte het bedrijf van bank mag uitoefenen. De verklaring kan slechts worden afgegeven aan een notaris.

Conclusie

De VON kan zich goed vinden in het opnemen van een wettelijke regeling die de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in de top van grote bedrijven evenwichtiger moet maken. Ook de voorgestelde overige wijzigingen lijken ons welkom voor de rechtspraktijk. Voor beide categorieën hebben wij hiervoor een aantal suggesties en verbeterpunten aangedragen waarvan wij hopen dat ze in een volgende versie van het voorontwerp kunnen worden meegenomen.

Wetgevingscommissie Vereniging Ondernemingsrecht specialisten Notariaat(VON)

L.W. Kelterman

A.H.G. Wilod Versprille

N.A.H. Wolswijk

Oud, maar niet gek: oudere advocaten over hun leven na de Zuidas

Notaris René Clumpkens moest stoppen bij Zuidas-kantoor De Brauw Blackstone Westbroek toen hij zestig werd. ‘Ik had de verplichte pensioenleeftijd bereikt’. Hij zat toen 31 jaar bij de firma en had makkelijk met pensioen gekund. ‘Maar daar had ik geen zin in’. Dus richtte hij samen met twee collega’s Zuidbroek Notarissen op.

Lees het artikel in het Financieel Dagblad.

Reactie op ‘Afschaffing (niet-girale) aandelen aan toonder’

Reactie op ‘Afschaffing (niet-girale) aandelen aan toonder’ van prof. mr. W.J.M. van Veen in WPNR 2019/7244 en reactie op kosteninschatting in Memorie van Toelichting. De Wet omzetting aandelen aan toonder is op 1 juli 2019 in werking getreden. Van Veen zet in zijn WPNR artikel op een overzichtelijke wijze de belangrijkste implicaties van deze wet uiteen. In het artikel gaat hij ook kort in op de situatie waarbij aandelen aan toonder al vóór 1 juli 2019 bij een statutenwijziging zijn omgezet in aandelen op naam. Ik noem dit voor het gemak “oude omzettingen”. Van Veen deelt mede dat hij in de wet geen passages heeft aangetroffen die op oude omzettingen van toepassing zijn. Naar de letter van de wet en de strekking vallen volgens Van Veen oude omzettingen onder het toepassingsbereik van art. 2:82 lid 5-9 BW.

Lees het hele artikel.

Reactie op meervoudige stemrechtbeperking

Van Veen en Ten Berg gaan in hun mooie artikel in op een aantal opvallende inhoudelijke wijzigingen die zijn voorgesteld in de eind vorig jaar verschenen Nota van wijziging waaronder het schrappen van de beperking van het meervoudig stemrecht. Het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen bevatte oorspronkelijk een beperking van het meervoudig stemrecht voor bestuurders en commissarissen van de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. De beperking houdt in dat de bestuurder of commissaris met een statutair meervoudig stemrecht niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere (stemgerechtigde) leden van dat orgaan tezamen. Er zit dan dus een plafond aan het aantal stemmen. Voor de BV en de NV gold de beperking al en is de 7-14 september 2019 meervoudige stemrechtbeperking in 2001 vanuit de Departementale Richtlijnen 1986 naar de wet verplaatst. Voor bestaande en nieuwe statutaire stemrechtregelingen bij de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting zou het invoeren van die wettelijke beperking inhoudelijke gevolgen hebben, terwijl het wetsvoorstel geen inhoudelijke wijzigingen beoogde. In 2016 hebben wij in het WPNR eerder aandacht daar voor gevraagd. Het wetsvoorstel is vervolgens met een verwijzing naar ons artikel aangepast en de uitbreiding van de meervoudige stemrechtbeperking naar andere rechtspersonen is zonder nadere uitleg (sic!) geschrapt. Voor de BV en de NV blijft de bestaande wettelijke beperking gelden. We hebben op deze merkwaardige aanpassing in de Nota van wijziging nog niet eerder gereageerd. Nu Van Veen en Ten Berg met een verwijzing naar onze reactie de indruk wekken dat wij van mening zijn dat de meervoudige stemrechtbeperking op dit moment voor alle rechtspersonen heeft te gelden, willen we daar kort op reageren.

Lees het hele artikel.

Enige beschouwingen rondom de splitsingsbeschrijving

Als u wel eens heeft geadviseerd over een juridische splitsing van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:334a lid 1 BW dan bent u ongetwijfeld bekend met het voorschrift dat een splitsingsbeschrijving moet worden opgesteld. Aan de hand van die beschrijving wordt bepaald welk deel van het vermogen zal overgaan op de verkrijgende rechtspersonen en welk deel van het vermogen eventueel zal achterblijven bij de splitsende rechtspersoon (art. 2:334f lid 2 sub d BW). Partijen kiezen vaak voor het instrument van de juridische splitsing omdat daarbij vermogen onder algemene titel overgaat. Het voordeel is dat leveringsvereisten niet hoeven te worden gevolgd. De splitsingsbeschrijving kan – voor het rechtsgevolg van de overgang onder algemene titel – worden gezien als het belangrijkste onderdeel van het voorstel tot splitsing. In de praktijk wordt de beschrijving meestal in de vorm van een bijlage aan het splitsingsvoorstel gehecht.

Gevolgen van het voorstel tot beperking van het meervoudig stemrecht voor andere rechtspersonen dan de NV en de BV

Het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen zal leiden tot een wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen. In dit artikel gaan wij in op de beperking van het meervoudig stemrecht die in het kader van de uniformering voor alle rechtspersonen in het algemeen gedeelte van Boek 2 BW wordt opgenomen (voorgesteld art. 2:9 lid 4/2:11 lid 5 BW). In de Memorie van toelichting staat dat het wetsvoorstel niet beoogt om wijziging aan te brengen in bestaande bestuurs- en toezichtstructuren bij de verschillende soorten rechtspersonen.2 Voor statutaire stemrechtregelingen bij de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting kan dit wetsvoorstel wel degelijk gevolgen hebben. Bij die rechtspersonen geldt immers op dit moment anders dan bij de NV en de BV geen wettelijke beperking van het meervoudig stemrecht. Een aanpassing van de statuten kan nodig zijn. In het wetsvoorstel is op dit punt geen specifieke overgangsbepaling opgenomen. Wij zullen eerst het doel van het wetsvoorstel aanstippen en vervolgens ingaan op het meervoudig stemrecht zoals dat voor alle rechtspersonen gaat gelden en de mogelijke gevolgen daarvan.

Lees het hele artikel.